
Dans uit het dwarse Zuiden
In de jaren tachtig gebeurde het in Brabant. Joost Goutziers heeft de (schijn)bewegingen die daar toen gemaakt werden in de moderne dans neergelegd in in Dwarse Dansers, een nagenoeg complete en vuistdikke beschrijving die en passant een tijdsbeeld schetst.
Veel van wat tegenwoordig als typisch Nederlands in de dans wordt gezien — artistieke vrijheid, interdisciplinair werken — kreeg in de jaren tachtig vorm. Het professionele dansveld in Nederland van toen werd gedomineerd door de grote gezelschappen in de Randstad, met Het Nationale Ballet in Amsterdam als belangrijkste klassieke balletgezelschap, Nederlands Dans Theater in Den Haag als wereldwijd toonaangevend moderne dansgezelschap, terwijl Scapino Ballet (Rotterdam) klassieke met moderne invloeden combineerde. In de relatieve luwte van die stedenring maakte Introdans (Arnhem) de overgang van regionaal gezelschap naar serieus erkende speler en waren her en der zelfstandige initiatieven, werkplaatsen en productievoorzieningen actief: onder meer Stichting Dansproduktie (Bianca van Dillen), Dansgroep Kristzina de Châtel, Werkcentrum Dans (Rotterdam) en de Noord Nederlands Dansgroep / Dansgezelschap Reflex (Groningen, nu: NITE).
Het was ook de tijd dat moderne en hedendaagse dans in Brabant begon door te breken, dáár ontstond ruimte voor een nieuwe generatie makers en voor dwarse, kleinschalige en onafhankelijke initiatieven. Brabant kreeg toen de reputatie als provincie waar geëxperimenteerd mocht worden. Een van de belangrijkste ontwikkelingen in die tijd was de focus op danstheater: een mengvorm van dans, toneel, mime en beeldende kunst. Het waren, achteraf gezien, de jaren die de basis vormden voor de sterke danscultuur die de provincie later proactief zou ontwikkelen.
Met het Dansers Collectief vervulde Tilburg daarbij een voortrekkersrol, maar ook elders in Brabant ontstonden nieuwe initiatieven: Zuil van Volta (Breda) en Villa Danthe (Den Bosch). Het vanuit de ‘Wolstad’ opererende Dansers Collectief wordt tegenwoordig gezien als de pionier en grondlegger van de hedendaagse dans in Zuid-Nederland. Het danslandschap in Tilburg was in de prille jaren tachtig verrassend levendig: de dansafdeling van de Tilburgse Muziekschool was met zo’n 1.400 leerlingen in 1984 een van de grootste amateurdansopleidingen van Nederland en de academische dansopleiding van het Brabants Conservatorium, voorloper van de huidige Fontys Hogeschool voor de Kunsten, was er al decennia gevestigd.
Het rebelse Dansers Collectief met Lilian Bruinsma en Ricardo Anemaet als hoofdrolsplers liet zich inspireren door de vernieuwende Duitse danstheaterstroming rond Pina Bausch van Tanztheater Wuppertal en week daarmee af van de meer traditioneel (Martha Graham, Merce Cunningham) ingestelde Nederlandse danswereld .
Met de komst in 1990 van dansgroep RAZ (Hans Tuerlings) werd de ‘Brabantse dans’ beroofd van haar kleinere initiatieven, maar naar wens en op verzoek van het toenmalige Brabantse provinciebestuur. Het gezelschap werd bekend om zijn expressieve, rauwe en eigenzinnige voorstellingen waarin dans, muziek, film en beeldende kunst werden gecombineerd. In 2004 adviseerde de Raad voor Cultuur om de subsidie stop te zetten, waarna het gezelschap stopte. Op die voedingsbodem ontstonden in de jaren die daarop tal van initiatieven.
De genoemde initiatieven zijn minutieus beschreven in Dwarse Dansers en ook is er aandacht voor gezelschappen en choreografen daarna, zoals United Cowboys (Eindhoven), Panama Pictures (Den Bosch), LaMelis en Katja Heitmann (beiden Tilburg), de Stilte (Breda) en Jelena Kostić (Tilburg). Ook DansBrabant, de ontwikkelplek voor hedendaagse dans sinds 2013 in de provincie, is aan een nader onderzoeksoog onderworpen.
Dwarse Dansers – Hedendaagse dans in Brabant (1980-2025) is een ontzagwekkend koffietafelboek, bovendien fraai vormgegeven, van meer dan 350 pagina’s. Joost Goutziers heeft behalve leesbare ook doorwrochte en goedgeschreven portretten gemaakt, kleine monumentjes, van de Brabantse dansgezelschappen die aan het danslandschap in die provincie maar ook landelijk smoel hebben gegeven. Er zijn vele archieffoto’s en zelfs afbeeldingen affiches afgedrukt. Bij lezing van de eerste hoofdstukken over respectievelijk Dansers Collectief, Zuil van Volta, Villa Danthe en RAZ riep een ‘memory lane’ bij me op, mede door (actuele) citaten uit de mond van tal van betrokkenen, én door het noemen van namen van toenmalige recensenten.
Dat maakt het opgeroepen tijdsbeeld welhaast voelbaar en compleet, nog versterkt door de toevoeging van de interessante inleiding en meer algemene hoofdstukken over talentontwikkeling, over componeren voor dans en over dansfilms. Een toekomstblik en een minutieus bronnenoverzicht maakt het geheel inhoudelijk af. Goutziers heeft met Dwarse Dansers een standaard in het leven geroepen en gezet voor toekomstige, soortgelijke boekwerken. Al wringt er ook iets: Nora van den Eeckhout (1954-2024), hemelbestormer met permanent wind tegen, was met haar Danshuis in de jaren tachtig en negentig een van de voortrekkers van de moderne dans in Tilburg. Het is jammer dat haar naam niet valt in deze Brabantse dansbijbel.
NASCHRIFT I
Sterke regionale identiteiten bestaan ook in Limburg, Friesland en delen van Zeeland. Maar Brabant combineert meerdere factoren tegelijk. Het idee en gevoel dat Noord-Brabant ‘anders’ is - het Brabantse ‘onafhankelijkheidsgevoel’ - is niet zozeer een uiting van en streven naar politieke onafhankelijkheid, maar eerder een sterk regionaal bewustzijn. Brabant hoorde lang niet bij de Nederlandse (politieke) kern, was eeuwenlang een cultureel en politiek afwijkende regio binnen Nederland, en combineerde dat met trots op de eigen geschiedenis, cultuur en economische ontwikkeling. Tot ver in de twintigste eeuw kende Brabant een eigen katholiek maatschappelijk leven met eigen scholen, verenigingen, vakbonden en media. Dat versterkte de regionale identiteit: ‘Wij doen het hier op onze eigen manier’.
NASCHRIFT II
Dans verdwijnt op het moment dat ze ontstaat. Veel ‘dansschrijvers’ (onder meer recensenten) kennen het gevoel dat woorden een voorstelling reduceren. Een choreografie terugbrengen tot enkele alinea's voelt soms alsof een symfonie wordt samengevat aan de hand van een boodschappenlijstje.
Schrijven over dans is het omzetten van een lichamelijke ervaring in een intellectuele kenschets. Dat is zoiets als uitleggen hoe een bepaalde geur ruikt. Dans onttrekt zich grotendeels echter aan taal. Waar voor muziek termen bestaan als akkoord, toonladder en tempo, en voor literatuurbegrippen metafoor en vertelperspectief; waar een roman uit woorden bestaat en een schilderij stil blijft staan, is de ervaring bij dans lichamelijk en zintuiglijk, communiceert dans via beweging, tijd, ruimte, ritme en energie. In dans zijn er wel technische termen voor, maar die laten zich niet gemakkelijk benoemen: beweging heeft geen vanzelfsprekende woordenschat.

