Zelfs goed ingevoerde theatergangers zullen in dit boek regelmatig nieuwe wetenswaardigheden tegenkomen.

Boekbespreking: Stand up and fight

De liefde voor theater en het fanatisme dat scribent Patrick van den Hanenberg kenmerkt voel je op elke pagina. Stand up and fight over 35 jaar stand up comedy in Nederland is een kloek zeer compleet boek en leest als een trein. Zelfs goed ingevoerde theatergangers zullen er regelmatig nieuwe wetenswaardigheden in tegenkomen.

Zo is het interessant om te lezen over de kruisbestuiving tussen stand up en cabaret. Van den Hanenberg schrijft dat onder druk van standuppers de grapdichtheid in het cabaret verhoogd is. Tegelijk kregen standuppers oog voor meer inhoud dan slechts de pure lach. De auteur gaat in op verschillende soorten humor en slaagt er in om deze goed te duiden. Dat levert mooie beschouwende passages op met soms prachtige zinnen: ‘Daniel Arends goochelt constant met de betekenis van identiteit en imago, het vangnet voor onzekerheid.’

Het boek gaat meer dan veertig jaar terug in de tijd naar bijvoorbeeld Café Helmers, een voorloper van Toomler, maar ook de onwaarschijnlijke start van Boom Chicago wordt uitgebreid beschreven. De meeste aandacht gaat -niet verrassend natuurlijk- uit naar Toomler en zijn oprichter Raoul Heertje. De ruzies tussen Heertje en anderen worden wel erg breed uitgemeten en zijn minder boeiend.  Mooi zijn de observaties van Peter Pannekoek die onder meer beweert dat als in Toomler je collega’s achterin heel hard lachen, je op je bek gaat en dat niet lachen het grootste compliment is. Dat houdt immers in dat die collega’s dan de grappen zo goed vinden dat ze dat ze die liever zelf bedacht hadden. 

Het boek staat vol fijne anekdotes. Bijvoorbeeld over impresario Frans Ruhl die bekend stond als wanbetaler maar een uitzondering maakte voor Arie Koomen omdat die bevriend was met Rafa, een uitsmijter bij een sm club en ‘een beer van een vent die acht man in elkaar kan tiefen’. Soms is de auteur snoeihard. Over Javier Guzman lees ik dat die ‘zo gek als een deur is en niet snapt niet wat hij vertelt omdat hij niet zijn eigen teksten schrijft.' Ook wordt Bob McLaren gememoreerd die veel grappen schreef voor anderen. Na de moord op Theo van Gogh in 2004 bedacht hij dat je een Van Gogh niet moet neersteken, maar ophangen. Guido Weijers en Javier Guzman hebben er kennelijk om gevochten. Guzman gebruikte de grap in zijn oudejaars. Het de laatste jaren oneindig veel gebruikte ‘je mag ook niets meer zeggen’ wordt nog eens fijntjes geanalyseerd en heeft alles te maken met het verschil tussen televisie en theater. Zo zegt André Manuel dat hij nog leeft omdat hij niet op televisie komt. 

Met driehonderd pagina’s is dit boek heerlijk vol. Niet alleen bevat het een overzichtelijke geschiedenis van het ontstaan van stand up in Nederland, er is ook aandacht voor Nederlandse cabaretiers in het buitenland, een Hall of fame, comedy op tv, tien beroerde speelplekken, de rol van de MC en een uitgebreid stand up woordenboek. Ook leuk is het hoofdstuk over heckling ofwel het spontaan roepen van bezoekers tijdens een voorstelling wat voor een comedian wel eens lastig kan zijn, hoewel velen wel een voorraadje van gevatte reacties paraat hebben. Zoals deze: ‘Je moeder had het beter kunnen doorslikken’ of ‘Nee, je bent niet grappig en niet aardig, dat moet je toch nog wel weten van je schooltijd.’